Tegenwoordig stuur ik, blindelings vertrouwend op mijn navigatiesysteem, bijna achteloos de afritten op en de straten in, het is alleen nog maar zoeken naar de huisnummers. Wat een verschil met jaren terug, thuis de route uitstippelen, zelfs uitschrijven en dan met het ‘stratenboek‘ op pad. Door de nieuwe tijd raak je het navigeren zelfs een beetje verleerd. Niet dat ik in het vinden van plaatsen, straten, winkels, en noem-maar-op, ooit een uitblinker ben geweest. Volgens mijn vrouw bezit ik een slecht oriëntatievermogen, ze durft nog net niet te zeggen dat ik het totaal mis. Lange tijd heb ik gemeend dat het iets met een laag intelligentiepijl te maken had. Maar nadat ik jaren terug enkele zeer verstandige mensen heb ontmoet - waaronder een professor en een minister - die vernoemd onvermogen met me deelden, weet ik wel beter. Dankzij hen heb ik een opkomend minderwaardigheidscomplex de kop in kunnen drukken. Ik kreeg zelfs een betere indruk van mezelf: een verstrooid iemand moet wel verstandig zijn, kijk naar de professor. Toch is niet ieder verstrooid mens een professor. De zaken in het leven mag je niet zomaar omkeren; water is nat, maar al wat nat is...

Enkele weken terug was het nat, en het was water! Het regende pijpenstelen. Ik reed in mijn wagen over de snelweg, kwam er toen pas achter dat mijn navigatie nog binnen lag om te upgraden, en nam een afrit te vroeg, iets dat ik pas later bemerkte. Ik belandde in een dorpje waar ik niet moest zijn. Bewegwijzeringborden naar de gemeente, waar ik die avond wel moest zijn, vond ik er niet, ondanks dat er aan wegwijzers in het buurland België, waar ik me bevond, geen gebrek is. Maar ze staan niet op de plaats waar je ze nodig hebt. Voor mensen zonder navigatie en met een slecht oriëntatievermogen, die ook nog eens de telefoon zijn vergeten, is dat de start van een zoektocht met hindernissen.  

Aan het kleine kruispunt waar ik dus geen borden zag, bemerkte ik wel een oud moedertje, in een open deur. Ze stond daar te genieten van de malse nazomerse bui. Ik stopte, drukte op een knopje om mijn raam te laten zakken en keek op de papieren uitnodiging in mijn tas met daarop een adres. Ik vroeg haar de weg naar Terhagen. Ze begon te lachen en zei, in een pittig Antwerps dialect:

“Traoge wilde zeggen!”

“Waarschijnlijk wel, Traoge...”, en ik knikte verstrooid.

“Wel meneer, das de volgende baan aan oew linkse kant.”

Ik groette, dankte haar vriendelijk en reed verder. Aan het volgende kruispunt - zonder wegbewijzering - sloeg ik links af. Maar die weg liep dood!

Ik draaide terug en aan het kruispunt stopte ik, in de hoop een passant te treffen. Niets!

Er liep zelfs geen hond door zo'n weer. Of toch! In de verte ontwaarde ik een mens. Door de gutsende regen liep een vrouw. Wat? Het oude moedertje van net! Ze liep met opgeheven armen naar me toe. Ik stapte snel uit.

“Meneer... Meneer...”, riep ze.

“Wat is er aan de hand?”

“Ik wees je verkeerd”, zei ze. “Het was niet links... maar wel de weg naar rechts, meneer. Ik ben niet meer van de jongste, zie Je. Ik verwar vaak het een met het andere.”

Voor ik, even uit het veld geslagen door verbijstering, haar kon bedanken was ze al weg, zag ik haar verdwijnen. Verzwinden in het donkergrijs van de bijna Traogse regen.


Wat zijn er nog goede mensen op de wereld, dacht ik, en aan het kruispunt draaide ik naar rechts, richting Terhagen.


Soms in het leven heb je een moedertje nodig die je de goede weg wijst.


John van Ierland, 26 oktober 2013

verhalen