Een passage uit het boek 'de Speer van Rijsbergen' dat 26 november gepresenteerd gaat worden. Een roman over wielrennen en gebaseerd op het roerige wielerleven van Johan van der Velde. Intekenen voor het boek is al mogelijk, kaarten bestellen voor het theater (boekpresentatie) is ook mogelijk. Grote kampioenen maken hun opwachting.

Link naar de pagina Speer van Rijsbergen.


De top van de Pra Loup, de Alpenreus, is nog vier kilometer verwijderd. De zon laat zich eindelijk zien en kleeft slecht gestreken schaduwen aan de wielen van de renners van de kopgroep. Joop Zoetemelk rijdt in het geel dat hij heeft overgenomen van Bernard Hinault, die zijn toevlucht heeft gezocht in een revalidatiekliniek in het noorden van Frankrijk. Johan sleurt Joop over de bergen, hij is de gids, de sleepwagen van Neerlands hoop voor een nieuwe Tourwinst. Johan geeft het tempo aan. Hij houdt zijn kopman scherp in de gaten, de zege is binnen handbereik.

“Waar is hij, zit hij er nog bij?”

Hij wijkt wat uit naar de buitenkant van de weg en ziet dat Joop in zijn wiel zit, er zelfs wat naast zit. Hij oogt fris en hij ziet zijn kopman een gebaar maken voor een kleine tempoversnelling; de kopgroep mag verder uitgedund worden.

Johan besluit meteen tot actie over te gaan en strekt zijn vingers. Hij herpakt zijn stuur om weer de spreekwoordelijke akkoorden aan te slaan. Maar dan gaat het verkeerd, hij grijpt mis en maakt een pedaalslag in het luchtledige. De ketting knarst langs het tandwiel en hij balanceert als een artiest in een variété-piste. Hij maakt een slinger naar rechts en blijft ternauwernood op de fiets. Joop niet, hij rijdt aan de rechterkant van Johan en raakt met zijn voorwiel het achterwiel van zijn luitenant. Log, onhandig, smakt hij tegen het asfalt. Het noodlot lijkt zich aangediend te hebben. Johan schrikt en staat meteen stil om zijn kopman te helpen die nog vastgegespt aan zijn fiets met zijn achterwerk op de puntige steenslag zit. Uit een diepe vleeswond onder zijn linker elleboog sijpelt het bloed, maar daar wil de Raleighkopman niets van weten. Johan hoort hem roepen.

“Mijn fiets, ik moet weer op die fiets.”

Hij ziet aan de ene kant Joop overeind krabbelen en in zijn ooghoeken aan de andere kant de kopgroep verder wegrijden. Ze stoppen niet, de Tour wacht immers op niemand.

“Joop, kom op… We moeten weer aansluiten! Lukt het? Kom op!”

Aan excuses denkt Johan niet, daar is geen tijd voor, de Tour moet gered worden, de Tour voor Joop, de Tour voor Raleigh en de Tour voor Nederland.

Joop zit weer op de fiets en laat zich door Johan leiden. Hij zit weer in het wiel, hij laat zich loodsen om weer de aansluiting te vinden bij de kopgroep. Johan merkt dat Joop in een roes verkeert en misschien nog wat verdoofd is. Hij ziet dat het achterwiel van de kopman hopeloos verkreukeld is maar toch rijdt de man in het geel door. Stoppen om van wiel te wisselen kan pas als er aansluiting is, als de kopgroep is teruggehaald.

“Verdomme, wat heb ik nu weer gedaan? Hoop niet dat het te ernstig is. Ik moet hem terugbrengen, koste wat kost, het moet. Kom op Johan, je kunt het en Joop ook.”


John van Ierland, 17 november 2015

verhalen