Ik wil u eens goed uitleggen en daarmee verklaren, waarom het voor eeuwig zonde is dat Mathieu van der Poel geen wereldkampioen veldrijden is geworden. Ik moet daarvoor eerst een tijdje terug, terug naar die eerste keer.


Die eerste keer keek ik mijn ogen uit, ik zag de mannen diep gebogen, vast en zeker met pijn in de rug, over hun kromme stuurtjes op twee smalle bandjes door de straten snellen. Ze hadden een soort van strakke zwarte kniebroeken aan met op de zijkant witte reclameletters. Althans dat begreep ik van mijn vader, dacht eerst dat het de naam van de renner zelf was, vond al dat er veel naamgenoten meereden. Ook op hun truien stond die naam, die truien waren niet zwart. Nee… blauw-oranje, rood-geel-zwart, rood-wit en ga zo maar door. Wat een bonte mengeling van kleuren. Hun ontblote onderbenen blonken als spiegels en hun witte sokken deden door de fel schijnende zon dienst als een paar reflectoren. De fietsen waarop ze reden, waren van blinkend chroom, gepolijst en glad gespoten staal, ragfijne kabels en zwart-met-huid-kleurige rubbers die strak gespannen om het uiteinde van vele spaken zaten. Boven het zoevende en soms ratelende geluid uit, hoorde ik de mannen roepen “neem over”, “hee, pas op”, “pak hem terug”, “ik kan niet”, door uitleg van mijn vader kon ik opmaken dat er combines gesmeed waren. Snappen deed ik het nog steeds niet. Dat was ook niet nodig, het intrigeerde me, net als de gehele entourage, die ambiance. Het rook er naar een mengeling van Midalgan, kettingolie, zweet en hamburgers met uienringen uit het kraampje achter ons.

We bogen ons over de lage dranghekken om de renners na te kijken en we wachtten tot ze aan de andere kant de bocht weer om kwamen. Ze snelden onder de vele spandoeken door en werden nog eens extra opgezweept door de speaker. Ongemerkt trapte ik mee, het was alsof ik zelf op de fiets zat, zo imponeerde het me.

Ik kreeg een Raleigh petje van mijn vader, wat meteen de doorslag gaf om die favoriet te kiezen. De man met de bril, daardoor in mijn ogen een beetje de underdog, wist ik veel toen. Hij reed in een rood-geel-zwarte trui op een dito fiets. Gerrie heette hij en al snel bleek dat hij veel meer een bovendog was, wat kon die man fietsen.

Ik was verkocht aan het wielrennen, die uitstapjes met mijn vader hebben mij gevormd en daar ben ik hem nog dankbaar voor.

“Als ik later een zoon heb moet ik hem dit ook bijbrengen”, dat had ik me op die dag heilig voorgenomen. Tientallen racefietsen heb ik staan, ik schrijf er boeken over, kan er nog uren naar kijken en over vertellen, maar mijn zoon heb ik nog steeds niet meegekregen.


Het wereldkampioenschap Veldrijden te Heusden-Zolder op 31 januari (paar weken geleden al) kon daar verandering inbrengen. De ochtend van de koers had ik een lumineus idee, een weddenschap met mijn zoon, ultieme poging.

“Tim, weddenschapje. Als vanmiddag Mathieu van der Poel wint, wereldkampioen wordt, gaan wij samen naar de koers. Als een ander wint mag jij met vrienden naar de Efteling, ik betaal.”

“Het maakt dus voor mij niet uit wie er dan wel wint?”

“Voor jou maakt dat niet uit, doe je mee?”

Zo zeker was ik van mijn zaak en van de grote crosser Mathieu. Ik wreef genoegzaam al in mijn handen, mijn zoon gaat de ervaring meekrijgen die ik ook kreeg. Hij zou besmet worden met het wielervirus. En wie weet denkt hij dan aan de kant van de weg: “Dit ga ik later ook aan mijn zoon meegeven.”


Wat een domper! Mindere benen die ook nog eens in een wiel bleven haken zijn het debet van mijn verlies. Daarom is het eeuwig zonde dat Van der Poel geen wereldkampioen is geworden.


Mijn zoon is nu in de Efteling!

John van Ierland, 12 februari 2016

verhalen