Donderdag is mijn zoon jarig, feest, dertien en al een hele knul. Geen wielrenner, maar een voetballer, met het aardje naar zijn grootvaartje. Door omstandigheden kan ik geen kant op en vier op donderdag graag mee, wel zin in ook. Tot ik verneem dat de gehele familieviering op zondag gaat plaatsvinden. Nee… dat kan niet, dat is heiligschennis, daar staat… nee dat kan niet! Op die dag kan er helemaal niets hoor…


Ik kijk er namelijk al weken naar uit, lig er al nachten wakker van. Ik raak steeds meer opgeladen, op die dag komen de grote namen, dan viert mijn ontzag voor die mannen hoogtij. Op die dag vindt het meest indrukwekkende plaats. En wel in een ontiegelijk ijltempo dat in de finale nog eens wordt verhoogd door pezige afgetrainde lijven. Ik ben dan een van die honderdduizenden die vanuit de berm steeds meer de weg opschuiven om maar een glimp op te kunnen vangen. Om maar als eerste, haast onverstaanbaar, een paar klanken te kunnen uitstoten die lijken op: “Daar zijn ze, daar komen ze!”


Ik zal met de opgezweepte menigte uit elkaar stuiven en zo plaatsmaken voor ellende en de nederlaag, voor vreugde en de triomf. Voor een paar honderd renners die alle krachten bij elkaar sprokkelen om voort te snellen, om te reiken naar het geluk die er maar voor één kan zijn. Ik zie dat zweet, tranen en bloed het linnen van de gebogen bochten bevlekken waar de opvolgers der Flandriens hardnekkig aan trekken. Ik zie dat hun holle kijkers in hun verkleumde gezichten daar geen oog voor hebben. Dat hebben ze ook niet voor de nerveuze toeschouwers aan de kant van de weg op de flanken van de Koppenberg. Ook niet voor de loodzware luchten en de knoestige knotwilgen. Ik weet dat ze maar één doel hebben en dat is hun ziel niet achter te hoeven laten op de Paterberg, de Berendries of de Oude Kwaremont. Ze trekken bekken, janken om hun moeder en prevelen ‘godverdomme’, maar ze gaan door! Ze moeten wel pijn hebben, ze moeten een enorme afstand weerstaan. Ze moeten slechte wegen trotseren, slecht weer als sneeuw, hagel, regen of wind. Ze moeten bergen op en de jacht van de achtervolger afslaan. Ik weet dat ze pijn hebben, ik voel het. “Laat ze doorrijden, ga opzij, daar rijdt misschien wel de winnaar.” Maar alleen hij die gekapt is uit het steen waarvan Vlaamse standbeelden zijn gemaakt kan winnen. Het is de 99ste editie, het is de grootste van allemaal, het is de hoogmis, het is Vlaanderens mooiste. Daar moet ik bij zijn! Ik weet het, ik voel het en niemand houdt me daarvan af!


“Wat zeg je? De Ronde van Vlaanderen is pas de week erop!” Nog meer slapeloze nachten dus en zondag een verjaardagsfeestje van mijn zoon. Daar kan Gent-Wevelgem nog net niet tegenop.


John van Ierland, 24 maart 2015





verhalen