In deze tijd waar het toverwoord binnen de voetbalwereld ‘overwinteren’ is kunnen vele liefhebbers hun geluk niet op. Te meer als een Nederlandse ploeg ook nog weet te winnen op het hoogste clubniveau van de top uit Barcelona. Het heet voetbalgeluk. Wij, de Nederlanders, genieten zelfs van het Duitse voetbal een onderzoek wijst uit dat we de Duitsers meer aan het waarderen zijn. Dat was precies zestig jaar geleden over het algemeen wel iets anders. Gelukkig waren er uitzonderingen, één zo’n geval werd in 1953 ook aan het voetbalgeluk gekoppeld, zij het op een heel ander niveau. Een verhaal over kapelaan Snoeren, een verhaal over geven in een moeilijke tijd.  


Het was een moeilijke tijd, de oorlog was weliswaar al zo’n acht jaar voorbij maar nog lang niet alles was hersteld. De economie begon in sommige streken pas langzaam uit het dal te kruipen, in andere streken nog helemaal niet. Duitsland had nog zwaar te kampen met de naweeën van ‘40-‘45. Onze oosterburen waren afhankelijk van de helpende handen uit de omliggende landen. Deze hulp kwam hortend en stotend op gang, daar de verschrikkingen van de oorlogsjaren nog vers in het geheugen lagen. Gelukkig dacht niet iedereen er zo over en waren er vele mensen die inzagen dat de schuld niet bij het gehele Duitse volk lag. Zij waren het die de helpende hand boden. Eén van hen was de Bredase kapelaan J.Snoeren. Hij trok naar het Duitse diasporagebied om daar zeven parochies te besturen en ze nieuw leven in te blazen. De kapelaan kreeg er te maken met alle noden van de vluchtelingenjeugd. Hij wilde de kinderen een zelfde jeugd geven als die van de jongelingen in Breda, hij wilde de kinderen winnen voor de kerk en ze zo verlichting brengen. Dat ging niet zonder slag of stoot, het was hard werken; elf maanden aan een stuk. De twaalfde maand mocht de kapelaan naar huis, naar de Baronielaan, om van een welverdiende vakantie te genieten. Kapelaan Snoeren was er echter de man niet naar om ergens te gaan zitten en te ontspannen. Hij moest gewoon doorgaan, zijn werk was tevens zijn ontspanning en zo gaf hij tijdens zijn ‘vakantie’ catechismusles aan de vierde klas van de Bredase Heilig Hartschool. Vroeg in de ochtend, voor de school begon, zag hij kinderen op het schoolplein tegen een bal schoppen. Het deed hem denken aan de jeugd in Berka, daar in Duitsland, waar de jeugd ook graag voetbalde. Met veel passie en plezier beleefden ze daar het spel. Er stond echter altijd één jongetje aan de kant toe te kijken, hij deed nooit mee. Het was geen kwestie dat hij van de andere niet mee mocht doen, nee… het had meer te maken met zijn omstandigheden thuis. Hoezeer hij ook wilde, er op aandrong, hij mocht niet van zijn moeder. De familie had absoluut niets te makken, ze waren arm als Job, en konden zich niet veroorloven dat Hans zijn enige, al tot op de draad versleten paar schoenen, helemaal kapot trapte. In de zomer gelukte het hem nog wel op blote voeten te spelen, hoewel hij zijn voeten helemaal opentrapte, maar in de andere maanden in het jaar was het voor de kleine Hans alleen maar toegestaan naar het spelletje te kijken. In de klas vertelde de kapelaan over de problemen met de jeugd in het diasporagebied. Hij vertelde over de kinderen die net als de jeugd in Breda ook graag voetbalden en hij vertelde over de kleine Hans Schönau. De kinderen in de klas hadden in het begin helemaal geen oren naar het verhaal van de kapelaan. Het ging over Duitsers en daar hebben ze van de familie al vele verschrikkelijke verhalen over gehoord. Dientengevolge waren ze helemaal niet gecharmeerd van hun oosterburen. Toch, naarmate de les vorderde, werd het stiller in de klas en begonnen de kinderen zich meer te interesseren voor het leed in het gebied waar de kapelaan werkte. De kapelaan vond het zijn plicht te vertellen over de minder bedeelden in de wereld, waarbij het hem, zoals bij anderen ook zou moeten, niets uitmaakte waar ze vandaan kwamen.


Twee dagen voor hij wederom zou vertrekken naar Duitsland kreeg de kapelaan bezoek van meester v.d. Horst, de leraar van de vierde klas van de Heilig Hartschool. Hij had een zorgvuldig verpakt doosje bij zich. Het bevatte een paar prachtige voetbalschoenen, bestemd voor Hans Schönau die zo graag voetbalde maar er de middelen niet voor kon vinden. De leerlingen van de vierde klas van de Heilig Hartschool hadden botje bij beetje gelegd, en geholpen door meester v.d.Horst, het mooie geschenk mogelijk gemaakt.

Enkele weken later ontving de vierde klas een dankbare brief uit Berka Duitsland:


“Zu meine gute freunden aus Holland,                                         

vieler liebe grüBen und viel dank.”

Hans Schönau.


John van Ierland 28 november 2013


verhalen