Het was de avond vóór 6 juli 1982, zomer in België, Middelkerke om wat meer precies te zijn. Twee jaar eerder zette mijn vader me voor de keuze; ik was zestien jaar geworden.

“John wat wil je voor je verjaardag? Een brommer of een racefiets?”

Ik koos voor de fiets en het werd een Raleigh in de befaamde teamkleuren die we bij Jan van Loon aan de Oude Vest gingen kopen. Wat was ik blij en ik fietste wat af met vrienden door de omgeving van Breda en deed pogingen prijs te rijden in de criteriums van omliggende plaatsen. Ik hield van fietsen en van wielrennen net als van een bal en voetballen. Een echte keuze tussen de twee kon ik nog niet maken, de zomer van 1982 bracht daar verandering in.

“John, de Tour komt morgen in Moeskroen aan, zullen we daar met z’n tweeën gaan kijken? Het is niet zo ver van hier.”

Dat liet ik niet aan me voorbij gaan en in de ochtend gingen we met de Citroën GSA op pad, broodjes bij ons en blikjes cola. Mijn vader wist me te vertellen dat Moeskroen de geboorteplaats was van Jean-Luc Vandenbroucke, renner van La Redoute-Motobecane. Het zal hem er heel wat aangelegen zijn om in zijn eigen stad te winnen. Een renner om rekening mee te houden dus. Niet dat ik daar iets mee kon doen, maar mijn vader wilde me dat toch nog wel even meegeven.


We waren nog geen uur onderweg of mijn vader vond al dat we moesten rusten op een parkeerplaats voor koffie met wat lekkers in een wegrestaurant. De meegenomen broodjes waren in de auto al opgegeten! Voor hem was het vakantie en dan ging het gas eraf, alles op het dooie gemak. Eindelijk kwamen we in Moeskroen aan en parkeerden we de auto net buiten het centrum, het was er een drukte van jewelste en wij liepen richting de meet die in de binnenstad was getrokken. Ik zag mooie nog lege plekjes achter het hek aan het parkoers, maar een paar honderd meter van de finish, steeds weer vond mijn vader dat niets.

“Dan moeten we nog een paar uur hier staan wachten, nee joh we lopen door, we gaan daar in zo’n Belgisch café wat drinken, tijd zat!”

Tja, ik ging wel mee, wat moest ik anders, maar was al wat minder gerust op ‘goed zicht’ op de renners. We vonden een plaatsje aan de stamtafel in café Metropole en al snel raakten we in een verhit maar gezellig gesprek met de plaatselijke wielerliefhebbers. Allen waren op de hand van Vandenbroucke maar volgens mijn vader zou hij het niet gaan winnen.

“Nee, hij komt te kort hier, het gaat er een van Raleigh worden: Gerrie Knetemann, de aankomst is helemaal op zijn lijf geschreven!”

De ene ‘stomme ollander’ na de andere volgde, maar mijn vader hield vast aan Knetemann en een weddenschap werd vastgelegd. Daarna dronken we met onze nieuwe ‘vrienden’ nog een stevig Belgisch biertje en opeens keek pa op zijn horloge.

“Kom John we gaan naar de meet, het gaat erom spannen.”

Ik liep achter hem aan en door fors ellebogenwerk en soms een korte verontschuldiging stond ik voor ik het wist aan het hek langs het parkoers en zowat – het scheelde een meter of tien – aan de meet. Mijn vader stond naast me, dat had hij toch maar weer mooi geflikt.

Het werd spannend, de eerste auto’s kwamen voorbij, volgens de luidsprekers hoorden we dat een grote groep nog bij elkaar zat met daarbij Vandenbroucke. Alle Belgen gingen ver uit hun dak, liederen werden aangehaald en wij hingen over het hek en keken uit naar de komende renners.

“Hij heeft nog niet gewonnen, wacht maar af, kijk daar komen ze.”

De weg naar de finish liep flink omhoog en het werd een soort massasprint puur op de macht. Mijn vader herkende sommige renners in de voorste rijen De Wilde, Thaler, Planckaert, Kelly.

“Daar komen ze, daar in het midden John… jaaaaaaa!”

De euforie was groot, recht voor onze neus won Gerrie Knetemann de etappe, Vandenbroucke werd vierde. Mijn vader had gelijk en ik was om… helemaal verknocht aan het wielrennen.

In café Metropole gingen we de winst van onze weddenschap innen; nog meer Belgische biertjes en natuurlijk hebben we net zoveel teruggegeven. Hoe we thuis zijn gekomen weet ik niet meer, de rest van de dag koester ik als geen andere.

Vandaag is mijn vader veertien jaar dood, wat heb ik veel aan hem te danken.   


John van Ierland, 25 mei 2015


verhalen