Het is zondagochtend, de gordijnen zijn dicht en ik bevind me in een overgaande fase, nog wel meer tegen de slaap aan dan tegen het montere wakker zijn. Ik ga wel meer en meer ontwaren rondom me waaronder het flikkeren van het rode lampje van mijn BlackBerry, rechts op mijn nachtkastje. De geluidjes die er normaliter mee gepaard gaan heb ik uitgeschakeld, ik ben van de lampjes! In ieder geval is er een melding, een bericht van mijn fietsmaat: “John, ik ga toch mee, ben er al klaar voor, kom je langs!”

Fietsen… en dus wakker worden!

Na een bezoek aan de keuken en de badkamer – niet zonder eten en niet ongepoetst – gaat het ritueel voorafgaand aan de daadwerkelijke fietstocht verder.

Ik kijk vluchtig naar buiten en bespeur geen dreigende wolken, droog… en dat blijft het nog wel even. Warm is het zeker niet, ik schat een graad of vijf, waardoor een korte broek er niet in zit. Meer de tijd van het jaar voor de beproefde tactiek van de laagjes, Bobbie Traksel heeft het me eens uitgelegd. De ruimte ertussen werkt als een soort van isolatie, dus: thermohemd, korte broek met goede zeem, lange broek zonder zeem.

”Is dat genoeg? Ik ben een koukleum! Nog een lange broek zonder zeem dan.”

Coltruitje, jackje en tenslotte mijn wielerjack. Pff… bewegen zit er even niet meer in, en ik moet nog beginnen!

Klaar… en nu naar beneden, maar eerst nog even naar het toilet. En dat is haast funest! Plassen gaat niet makkelijk met al die broeken met bretels.

“Ja, ik weet het”, dan had ik dat tevoren maar moeten doen. Dat helpt echter geen zier bij me. Het lijkt op een beetje spanning… ik moet toch nog even voor ik ga.

In mijn kantoor staat mijn raspaardje te wachten, toch moet hij nog even wat geduld betrachten, eerst moeten mijn schoenen aan. Niet te strak, daar houd ik niet van en dan mijn overschoenen! Groot gevecht, kijk er altijd tegenop, waarom gaat dat niet veel soepeler? Het zweet breekt me al uit door het sjorren en trekken aan die overschoenen, dus voordat ik ook maar één meter heb gereden, dankzij die laagjes.

Ik moet er toch eens mee naar de fietsenzaak, een maatje groter gaat misschien wel helpen.

Helmpje op, telefoon in de achterzak, zakdoekje, reservebandje en een pompje, sleutels en wat geld voor een eventuele koffie die ik de laatste tien jaar nog niet heb genuttigd tijdens een tocht.

Dan is mijn fiets aan de beurt, bandjes hard? Nee daar kan nog wel wat bij, met de rennkompressor is dat zo gepiept: acht bar. Banden schoonmaken, remmen checken, piept er iets? Dat kan ik namelijk niet hebben. Nog mijn bidon vullen met water, voor de inwendige mens van onderweg, veelal in plaats van de koffie. Water is maar water roepen er velen, heb al van alles geprobeerd maar val toch steeds weer terug op dat water, ondanks of misschien wel omdat het maar water is: heerlijk!

Klaar, mijn fiets en ik naar buiten, de poort uit het slot en… “moet ik toch niet weer plassen?”


Eindelijk zit ik dan op mijn wit met rode Colnago, en zet de racer in beweging. Daar is het allemaal om te doen; met mijn handen omklem ik mijn stuur en mijn geluk.


“Hey, is Rinie al klaar?”

“Bijna, hij staat te plassen!”



John van Ierland, 29 december 2013




verhalen